Lente – Miriam Van hee

het is lente, de dakpannen
drogen in de zon
we hebben lang gewacht
terwijl we in de auto zaten
en de regen hoorden op het dak
(ook dat was tijd die wij
genomen hebben)

het is lente, in het bos
ontkrullen zich de varens
als de halzen van violen
en aan de palen hangen
groene druppels isolatieglas
te glinsteren

het is goed om nu te wachten,
te kijken en te luisteren

en te weten dat er dingen zijn
om het zonlicht op te vangen
ze deden dat al voor wij
hier verschenen, en ook als wij
er niet meer zijn, het licht
zal niet verloren gaan.

Miriam Van hee 
Uit: De bramenpluk, 2002

Dit jaar begint de astronomische lente op 20 maart, om precies te zijn om 22.58 uur.

Advertenties

Opnieuw 3 – Herman de Coninck

Februari. De hectaren van het geheugen
staan leeg. De toekomst is al jaren
voorbij. Maar nu ook het verleden. (jij
nam het met je mee.) Winterlicht

maakt de feiten hard. Zee schimpt in het rond.
Wind kraakt. Koude is te horen.
Taal blijft binnen, komt niet meer uit haar woorden.
In gesloten lettergrepen wordt ingevroren.

Niets. En dat zien.
Heldere leegte, als tot ver na de komma
in de zalen van het getal tien.

Herman de Coninck
Uit: De hectaren van het geheugen, 1985

De Eskimo’s hebben wel duizend woorden voor sneeuw – Willem Wilmink

Een woord voor de sneeuwvlok die smelt in je oor,
dat dan jeuken gaat,
een woord voor het sneeuwen, de hele dag door,
in de stille straat.

Een woord voor de sneeuw in de ruit van je klas
als het sneeuwen ging,
een woord voor de sneeuw op de kraag van je jas
van je lieveling.

De Eskimo’s hebben wel duizend woorden voor sneeuw.

Een woord voor de sneeuwvlok die laag in de laan
op en neer beweegt,
een woord voor de zielige sneeuw, als de ijsbaan
wordt schoongeveegd.

Een woord voor de sneeuw die je huid openhaalt
als de sneeuwjacht jaagt,
een woord voor de sneeuw, in lantarens verdwaald,
die om aandacht vraagt.

De Eskimo’s hebben wel duizend woorden voor sneeuw.

Een woord voor de sneeuw van de sneeuwman, die kijkt
of er niets aan schoort,
terwijl toch iedereen duidelijk blijkt
dat hij kleiner wordt.

Een woord voor je moeder, een woord in een traan,
want wat wordt ze klein.
Tot ze net als de sneeuwman is overgegaan
in zonneschijn.

Willem Wilmink

Uit: Het beloofde land

Sneeuw – Adriaan Morriën

Het sneeuwt, niet jachtig, eerder tastend,
alsof het wit naar zwarte plekken zoekt.
Maar heel het landschap ligt al volgeboekt.
De dag staat zwaarbepakt om te vertrekken.

De bomen dromen rechtop in de sneeuw,
verwonderd en in hun verwondering verrast.
De vorst heeft ieder takje afgetast.
Het is windstil, er valt niets te ontdekken.

De laatste vlokken vallen, in de lucht
zweeft al wat zonlicht, geel en droog.
En vogels, eerstgeborenen van het oog,
haasten zich om de schade te herstellen.

Adriaan Morrien
uit Verzamelde gedichten,  1994

Dit zou de aarde moeten zijn – Paul Snoek

Dit zou de aarde moeten zijn, een kamer
na Kerstmis nog naar dennennaalden ruikend
en drijvend in een meer van suikersneeuw;
daar, waar men alle harten kan te samen
binden en als mooiste bloemenruiker schenken
aan het schoonste jaar van deze eeuw.

Maar elk jaar heeft zijn oud gekende grillen
en bitterheden. Soms wat voor een ander
briljanten zijn, schijnt ons goedkope sneeuw.
Het enige waarin wij niet verschillen
is dat wij ouder worden en verlangen
‘Dit wordt het schoonste jaar van deze eeuw!’

Paul Snoek (1933-1981)

‘Het is hoog tijd dichter Paul Snoek weer aandacht te schenken’ schreef Yves T’Sjoen in Knack op 9 juli 2018.
Daarom dit mooi gedicht uit de vorige eeuw, voor een schoon nieuw jaar in deze eeuw.

Notitie – Wisława Szymborska

Leven is de enige manier
om met bladeren begroeid te raken,
op het zand naar adem te happen,
op vleugels proberen op te vliegen;

om hond te zijn
of hem over zijn gladde vacht te aaien;

om pijn te onderscheiden
van alles wat geen pijn is;

om zich in gebeurtenissen te bevinden,
zich in een uitzicht te verbergen,
naar de kleinst mogelijke vergissing te speuren.

Een uitzonderlijke kans
om je even te herinneren
waarover werd gesproken
toen de lamp niet brandde

en om ten minste eenmaal
over een steen te struikelen,
in een of andere regen nat te worden,
je sleutels kwijt te raken in het gras;

en een vonkje in de wind na te kijken;

en zonder ophouden iets belangrijks
niet te weten.

Wisława Szymborska (1923-2012)
Uit: Einde en begin – Verzamelde gedichten
bundel ‘Het moment’ (2002)
vertaling Gerard Rasch.

Jiddish – Judith Herzberg

Mijn vader zong de liedjes
die zijn moeder vroeger zong
later voor mij, die ze half verstond.

Ik zing dezelfde woorden weer
heimwee fladdert in mijn keel
heimwee naar wat ik heb.

Zing voor mijn kinderen
wat ik zelf niet versta
zodat zij later, later?

Voor de rozen verwelkt zijn
drinken wij al het bloemenwater.

Verdrietige intieme taal
het spijt me dat je in dit hoofd
verschrompelde.
Het heeft je niet meer nodig
maar het mist je wel.

Judith Herzberg (1934)
uit: Beemdgras (1968)

Judith Herzberg, graag gelezen dichteres, ontvangt vandaag uit handen van koning Willem-Alexander de Prijs der Nederlandse Letteren .

Een goed najaar – Paul Snoek

In deze oude dichtbundel uit 1969 vond ik dit mooi najaarsgedicht van de veel te vroeg gestorven dichter Paul Snoek.
Zoals het toen was, nu is er de klimaatopwarming… 

De vruchten zijn verkocht.
De boeren betalen de pacht aan de Heren.
De vliegen vallen dood op tafel.

Het regent gulzig en de bieten glanzen.
De akkers verteren hun moederkoek
en stijf in de wolken nadert de winter.

Morgen koop ik zeven kannen olie
en een nieuwe bril om in het boek te lezen.
Deze winter ga ik nog niet dood.

Paul Snoek (1933-1981)
Uit: Paul Snoek: Gedichten 1954-1968

https://www.nederlandsepoezie.org/dichters/s/snoek.html

 

IN MEMORIAM MATRIS – Geert van Istendael

Ze was al heel erg oud. Daar riep een meisje:
‘Kijk, oma, het is winter!’ En zij zei:
‘Ik zou zo graag gaan spelen, weer spelen
in de sneeuw.’ De lente kwam, een lente
later zou ze sterven. Maar ze zei:
‘Ik zou zo graag gaan lopen, lopen door
de regen, al die druppels op mijn gezicht.

‘De zomer was voorbij, voorbij. Ze zei:
‘Die appeltjes rook ik zo graag, vooral
wat in het gras lag, in de grote tuin van
mijn pa. Dat rook zo goed, zo goed.’ Haar rimpels
betoveren haar glimlach, het verleden
staat op een kier. Heel even kijkt een meisje
naar een oud meisje in een hof van Eden.

Geert van Istendael
uit: Het geduld van de dingen, 1996.