De zomers – Kees Stip

Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.

Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen ’s nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.

Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.

Kees Stip 
uit: Au! de rozen bloeien
Sonnetten van bedreigd geluk, 1983

Advertenties

Beemdgras – Judith Herzberg

Dit, dan, is wat wij maken:
in Juni als de weiden gloeien
van boterbloem, zuring, klaver
en bloeiende kniehoge grassen;
een grasbouquet, in een theepot
in het gras gezet. Met onbedroefde
kinderogen vlak voor de voeten
kijken, een van de vroege
genoegens die wij delen.
Dit, dan, wat we van
ons durven verwachten:
gras, in een blauwe theepot,
apart, tussen het groeiend
uitbloeiend, doorlevend gras gezet.

Judith Herzberg
Uit: Beemdgras, 1968

Tijd – Rutger Kopland

Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd om te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe we nu leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachte is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

Rutger Kopland,
Uit: Over het verlangen naar een sigaret

I Traveled 1.8 Million Years To Be With You – Anne Duk Hee Jordan

https://www.beaufort2018.be/nl/i-traveled-18-million-years-be-you-2018
Zwerfstenen zijn niet inheems maar werden naar onze contreien gevoerd. Gedurende de laatste ijstijd, de Saale-ijstijd ongeveer 200.000 v. Chr., werden Scandinavische stenen meegevoerd in ijskappen die reikten van Scandinavië tot Nederland. Ook later, omstreeks de twaalfde tot de vijftiende eeuw, werden er stenen getransporteerd. Tal van uitheemse gesteenten kwamen in Brugge terecht, toen de stad deel uitmaakte van de Hanzeroute, een maritieme handelsroute die reikte van Estland tot Frankrijk. Ze werden gebruikt in monumenten, kerken en grafplaatsen.

Niemand – Anna Enquist

Vandaag 22 mei sterfdag van Herman de Coninck  (Mechelen 21 februari 1944 – Lissabon 22 mei 1997)
Herman de Coninck stierf op straat in Lissabon.
Anna Enquist was erbij en ving hem op.

De dood, zegt men, heeft genomen.
Ik zat op de grond met een dode
maar niemand kwam om te nemen.

Ik lispelde ongehoorde kinderwoorden
maar de laatste lucht vloog de stad in
en niemand kwam om te nemen.

Nee, er was in dit spel geen opzet,
Niemand keek verder dan ik, niemand

verpletterde ons met een grote vuist
tegen het ellendig plaveisel. Niemand.

Anna Enquist
Uit: De tweede helft, 2000

http://schrijversgewijs.be/schrijvers/de-coninck-herman/

 

 

 

Brief aan de zee – Johanna Kruit 

ooit heb ik geprobeerd je geheim
te doorgronden, maar je pakte je
zout in en droeg je geluiden weg
en in je golven stond:
verboden toegang

vergeefs probeerde ik de dagen op
muziek te zetten
maar ach
zelfs de regen liep mij nonchalant
voorbij, en met
eeuwen stof over mijn voetstappen
bleef ik in de trieste sfeer van
oude gebeden en weefde verward
aan een sprookje dat vrede heet

dan liet ik mij verleiden om te gaan
met de stemmen
– landinwaarts –
maar er waren meer dingen dan een
dromer ooit zal zien
en de wegen té veel
onderweg

en zo schrijf ik me zee
naar je toe
en al ben je te oud om met
nieuwe woorden aan te spreken
toch vraag ik je
overstem mijn gedachten
zet voet aan mijn land
en breng mij tot zwijgen

Johanna Kruit
uit: Landgrens. Bloemlezing 1970-1980

https://norireads.wordpress.com/tag/zee/

 

Jij-mei – Paul Rodenko

Ik mors je over al mijn paden liefste
Jij-rood de rozen en jij-blinkende het blauw
Jij-kano’s in de blik van elke vrouw
Jij-beelden in parijzen van het water
Jij-lentebroden in de manden van de straten
Jij-kinderen die met een hoofdvol mussen
Achter de zonnebal aandraven
Jij-mei jij-wij
Jij-herteknieën van de zuidenwind

Ik juich je sterrelings

Paul Rodenko (1920-1976)

Het boekenpaleis – Anna Enquist

Gedicht van Anna Enquist voor de Openbare Bibliotheek.

(ik vind dit ’n ode aan alle Openbare Bibliotheken, daarom ’n link naar de Bibliotheek Amsterdam voor wie ze het gedicht schreef, maar ook ’n foto van de bibliotheek waarin ikzelf heel graag  vertoef.)

Als Alexandrië, met uitzicht op het water;
wie aanmeert levert in wat hij aan boord bewaart.
Verzameling van alles wat in schrift bestaat; de gevel
draagt een spreuk: ‘Plaats voor genezing van de ziel.’

Stop met de herrie: voetstappen, een lied, gekraak
van deuren. Kom erin en zwijg. Op lange planken
staan, schouder aan flank, de opgeslotenen bijeen.
Als je je mond houdt kan je hun gefluister horen.

Ze lokken je vanuit kartonnen kaften, ze willen
hun verhalen aan je kwijt, ze lonken met hun letters,
vechten om je overgave – en onder die strijd hoor je
hun hese wanhoop over de vergetelheid. De echo

van Egypte trilt door elke kast: hoe lang nog
tot de fakkeldragers komen, onder het banier
van welke god? Nog niet. Nog even zijn de woorden
balsem, zinnen de genezing voor je ziel.

Anna Enquist
Uit: Hoor de stad, 2015
https://www.cool-cities.com/openbare-bibliotheek-amsterdam-22232/

De gestorvene – Ida Gerhardt

Vandaag begrafenis bijgewoond van ’n buurman
tijdens zijn loopbaan Kapitein ter lange omvaart
heeft alle wereldzeeën bevaren
het immense verdriet van de weduwe
bezinning bij de eigen sterfelijkheid
’n woelige zee en windkracht 5 Beaufort
de Kapitein meerde aan in zijn laatste haven…

De gestorvene

Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zeven maal, om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Ida Gerhardt 1905-1997
Uit: De Slechtvalk, 1966

Het eerste gedicht – Amergin

Ik ben de wind over het water,
ik ben het geruis van de zee,
ik ben een golf in de oceaan.
Ik ben het hert met zeven takken,
ik ben de havik op de rotsen,
ik ben de zalm in de stroom.
k ben een meer in de vlakte,
ik ben een bloem op het veld,
ik ben een traan van de zon.
Ik ben een wilde ever,
ik ben een dodende speerpunt.
Ik ben het begin van elk gedicht.

Wie is het licht op de heuvel?
Wie kent de rustplaats van de zon?
Wie is zo oud als de maan?
Wie heeft de sterren geteld?

Wie heeft het vuur in de hoofden ontstoken?

Amergin (Oud Keltisch gedicht)
Uit: De mooiste van altijd, Lannoo, 2000

 

 

Ouderdom – Judith Herzberg

Later, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.

Judith Herzberg