De zee

De zee is een buik vol embryo’s
vol  roeivoetigen,  kopvoetigen, veelvoetigen
vol voeten die ’t lopen nog leren moeten,
niet verder zijn dan sierlijk bewegen van vinnen
(gedagwuiven is een restje van zwembeginnen)

de zee is een moeder van koningen,
van zeepaardjes en malle ponen
Van wieren is het oudste bewegen van leven
Elk gebaar dat we namen gegeven
van strelen, protest, van vechten en vreten
is buiten onszelf bestuurd,
in af- en aanstromend water,
hetzelfde van vroeger gebleven.

Dick Hillenius

 

Advertenties

Winter

winter. je ziet weer de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.

en toch is ook de nacht niet
uitzichtloos, zo lang er sneeuw ligt
is het nooit volledig duister, nee,
er is de klaarte van een soort geloof
dat het nooit helemaal donker wordt.
zo lang er sneeuw is, is er hoop.

Herman de Coninck
uit: Zolang er sneeuw ligt.
Brugge: Orion. 1975

Zee

Zeker zijn wij ooit door zee bedacht
om als lukraak zwervende sponzen
met niets anders dan zee gevuld
in haar opdracht dit land te verkennen.

En gaat ons denken, praten, schrijven
onhoudbaar alle kanten op als het tintelende,
flikkerende, watervlugge, soms als het
zachte, raadselachtige klotsen en borrelen

aan de voet van verweerde staketsels.
Keren we daarom telkens weer hunkerend
naar waar ze niet ophoudt met fluisteren.
Lijkt het alleen of we haar niet langer verstaan.

Marc Tritsmans
uit: Warmteleer – Uitg. Lannoo 2005

 

De chemie van de ziel

De oudste geleerden al dachten dat
wij worden bewoond door de ziel

ergens moest ons lichaam zijn wat
het was maar dat tegelijkertijd ook niet zijn
iets onvoorstelbaars anders

harde wetenschap heeft nu laten zien
dat dit inderdaad zo is

met de mooiste machines is er gekeken
waar en wanneer onze moleculen veranderen
in zoiets vluchtigs als bijvoorbeeld
een gelukkige herinnering,

en waar en wanneer die herinnering
weer in de moleculen verdwijnt
op dezelfde plek op hetzelfde moment

en jawel: de beeldschermen bleven leeg
en de printers zwegen – duidelijker
bewijs is er niet.

Rutger Kopland
Uit: Over het verlangen naar een sigaret, 2001

 

Gedichtendag

Bij mijn favoriete boekhandel de bundel ‘Balans’ van Leonard Nolens gehaald met als geschenk voor gedichtendag ‘Wat ons had kunnen zijn’ van Peter Verhelst.
Dag kan niet meer stuk!

Unster – Leonard Nolens

Bezat je nu maar een balans,
bij voorkeur zo’n fijne Romeinse,
om koudweg je ziel te gaan wegen van top
tot teen, totaal, je doden bijeen
in die op- en neergaande dans

van zo’n balans, de twistende sterfdag
van vader, en later, het doofstomme ziekbed
van moeder, de as van broer Paul
die je schoenen bestuift en de last
van je krimpende kennissenkring, de barst

in het hart van je vriendschap met Frans,
bezat je nu maar zo’n balans –
je blijft op je zestigste blind als de helder
ziende, voortdurend verspringende naald
van geen enkel, geen telbaar getal.

https://meandermagazine.net/wp/2017/10/een-tussentijdse-balans/

 

Ingrid Jonker

De gedichten van Ingrid Jonker leerde ik jaren geleden kennen tijdens een poëziezomer in Watou.
Gerrit Komrij vertaalde haar gedichten uit het prachtige Afrikaans naar het Nederlands.
Henk van Woerden schreef in het nawoord een samenvatting over haar tragische leven.

Korreltjie korreltjie sand
klippie gerol in my hand
klippie gesteek in my sak
word korreltjie klein en plat

http://www.muurgedichten.nl/jonker.html

http://cobra.canvas.be/cm/cobra/boek/boek-recensie/1.994029

Tijd

Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen de wind

Rutger Kopland
Uit: ‘Over het verlangen naar een sigaret’
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2001

 

 

Luchtpost voor dieren

Op één januari dan sturen de mensen
elkaar mooie kaarten met groeten en wensen,
maar ook alle dieren, ’t is werkelijk waar,
die wensen elkander Gelukkig Nieuwjaar:
De vink schrijft een brief
aan haar zoetelief
en Kareltje Mus
stuurt een brief aan zijn zus
en twee jonge roeken
een brief aan hun moeke.
Dat alles gaat dan met de luchtpost mee
naar Overflakkee, of naar Heiligerlee.
De luchtpost staat klaar.Over veertien seconden
vertrekt hij naar Kaapstad of Zutphen of Londen.
Die post is een pikzwarte kraai moet je weten,
hij roept: Kra, kra, kra! Hebt u niets vergeten?
Heeft soms het konijn
nog een brief voor Berlijn?
En jullie, fazanten,
een kaart voor je tante?
Een brief naar je ome
in Brussel of Rome?
Geen brieven meer verder, dan zal ik maar gaan.
Maar net als hij weg wil, daar komt iemand aan…
’t Is Simon Kabouter, hij roept erg geschrokken:
Gelukkig, de post is nog net niet vertrokken!
Er liggen nog dertig brieven in ’t rond
van allerlei dieren, daarginds op de grond:
Een brief van de muis
aan haar ouderlijk huis,
een brief van twee mollen
aan iemand in Zwolle,
een brief van de spin
aan zijn hele gezin,
een brief van de specht en een brief van de sijs,
een brief voor Zaltbommel en een voor Parijs.
Oké, zegt de kraai, stop het maar in mijn tas.
Dan gaat hij vertrekken, dan geeft hij vol gas
en dan krijgt ieder dier (het hindert niet waar)
een brief in zijn bus met: Gelukkig Nieuwjaar!

Annie M.G. Schmidt (1911-1995)

 

Kunst

Kunst

Wat we willen:
Momenten
Van helderheid
Of beter nog:van grote
Klaarheid

Schaars zijn die momenten
En ook nog goed verborgen

Zoeken heeft dus
Nauwelijks zin, maar
Vinden wel

De kunst is zo te leven
Dat het je overkomt

Die klaarheid, af en toe

Martin Bril
uit: Verzameld werk, 2002